THEMA'S
SERVICE & ADVIES

Vereisten voor een noodstopfunctie

Datum:12-06-2019

De mondiale norm ISO 13850 is in Europa overgenomen als Europese norm, welke door alle lidstaten dient te worden overgenomen als nationale norm. De laatste versie hiervan betreft de NEN-EN-ISO 13850 uit 2015 en beschrijft de ontwerpbeginselen van een noodstopfunctie.

Een noodstopfunctie is bedoeld om gevaren voor personen af te wenden of te verlagen, schade aan machines of aan producten te beperken en dient bediend te worden door één enkele persoon. Deze norm is sinds mei 2016 ook geharmoniseerd onder de Machinerichtlijn 2006/42/EG.

Deze norm is een type B2-norm, hetgeen inhoudt dat dit een algemene veiligheidsnorm is die specifiek over veiligheidsbescherming gaat die voor veel machines kan worden toegepast. De typen normen zijn gedefinieerd van type A tot en met type C en zijn opgenomen in de norm NEN-EN-ISO 12100.

Het toepassingsgebied van deze norm betreft in principe alle machines. Er wordt echter een uitzondering gemaakt voor machines waar een noodstop niet het risico zou verlagen en voor machines die met de hand worden vastgehouden of bediend.

Er wordt in deze norm beschreven wat de vereisten zijn met betrekking tot het ontwerpen van een noodstopfunctie. In dit onderdeel worden enkele belangrijke onderwerpen besproken.

Span of control

In principe moet het bedienen van een noodstoptoestel resulteren in het stoppen van de complete machine of een geïntegreerd productiesysteem (IMS), tenzij dit zou resulteren in aanvullende gevaren of onnodig de productie zou schaden.

De norm biedt daarom mogelijkheden om het bereik van een noodstop te beperken tot secties van een machine of slechts enkele machines in een geïntegreerd productiesysteem. Deze ‘span of control’ kan op verschillende manieren worden ingericht. Er kunnen secties worden samengesteld op basis van de fysieke lay-out (visueel overzicht), de mogelijkheid van het herkennen van gevaren door middel van reuk, zicht of geluid, het effect op de productie en blootstelling aan mogelijke aangrenzende gevaren.

Elke sectie moet duidelijk zijn gedefinieerd en herkenbaar zijn.

Als de activering van een willekeurig noodstoptoestel van de machine tot gevolg heeft dat een noodstopfunctie voor het geïntegreerde productiesysteem geactiveerd wordt, spreken we van een ‘single span of control’. Hierbij zijn dus de verschillende secties gekoppeld aan één veiligheidscircuit.

Wanneer de activering van een noodstoptoestel in een bepaalde sectie slechts die sectie stopt in plaats van het geïntegreerde productiesysteem, wordt er gesproken van ‘multiple spans of control’.

De uit te schakelen secties moet een weloverwogen keuze zijn en de noodstoptoestellen van verschillende secties moeten niet in de buurt van elkaar zijn aangebracht. Verder moeten noodstoptoestellen gemakkelijk geassocieerd kunnen worden met het aanwezige gevaar en de reikwijdte (‘span of control’) van een noodstoptoestel en moet vanaf de bedienpositie van elk noodstoptoestel duidelijk en ondubbelzinnig zijn.

Het wordt afgeraden om de reikwijdte van een noodstoptoestel met behulp van tekstuele aanwijzingen aan te duiden, maar gebruik te maken van een duidelijk label/afbeelding.

Het noodstoptoestel moet zodanig herkenbaar zijn, dat in één oogopslag duidelijk is welke sectie er wordt gestopt bij het bedienen van een noodstoptoestel. Hiervoor kunnen pictogrammen worden toegepast. De norm geeft hiervoor enkele voorbeeldpictogrammen. Zie ook de onderstaande afbeelding.

Voorbeelden van pictogrammen

Een geactiveerd noodstoptoestel in een bepaalde sectie mag de werking van een noodstoptoestel in een andere sectie uiteraard niet belemmeren. Tevens mag de opdeling in secties niet leiden tot een risico verhoging.

Stopcategorieën

Vanuit de norm NEN-EN-IEC 60204-1 zijn er drie categorieën stopfuncties te onderscheiden namelijk: categorie 0, 1 en 2.

Hieronder volgt een overzicht van wat welke categorie inhoudt:

Categorie 0: Stoppen door onmiddellijke uitschakeling van de voeding van de machineaandrijving;

Categorie 1: Een bestuurde stop waarbij de voeding van de machineaandrijving benodigd voor het stoppen, aanwezig blijft en de voeding wordt onderbroken wanneer de machine tot stilstand is gekomen;

Categorie 2: Een bestuurde stop waarbij de voeding van de machineaandrijving aanwezig blijft.

Voor een noodstopfunctie zijn alleen de stopcategorieën 0 en 1 toegestaan.

In de NEN-EN-ISO 13850 worden enkele voorbeelden genoemd bij deze stopcategorieën, zoals de ‘Safe Torque Off’ en de ‘Safe Stop1’. Voor noodstopcategorie 0 kan de ‘Safe Torque Off’ worden toegepast en voor noodstopcategorie 1 kan de ‘Safe Stop1’ worden toegepast.

De norm NEN-EN-IEC 61800-5-2 geeft onder andere definities van de ‘safe stop functies’.

Onder ‘Safe Torque Off’ (STO) wordt het volgende verstaan:

De voeding naar de motor is veilig afgeschakeld, zodat geen verdere beweging mogelijk is. Het is niet nodig om stilstand te controleren. Als er moet worden geanticipeerd op externe krachten, moeten er aanvullende maatregelen worden getroffen om elke mogelijke beweging veilig te stellen (bijvoorbeeld door het toepassen van een mechanische rem). Als deze functie wordt geactiveerd tijdens normaal bedrijf, zal de motor op een ongecontroleerde wijze tot stilstand komen, wat in de praktijk niet wenselijk is. Dat is de reden waarom deze functie meestal wordt gebruikt als een veilige reset vergrendeling of in combinatie met de safe stop functie SS1.

Dit is nog steeds een veelgebruikte safe stop functie en wordt bijvoorbeeld toegepast bij transportbanden en andere toepassingen die niet positie specifiek zijn.

Onder ‘Safe Stop 1’ (SS1) wordt het volgende verstaan:

Met de ‘Safe Stop 1’ (SS1) is het gecontroleerd afremmen van het motoronderdeel van de veiligheidsfunctie. Wanneer de motor tot stilstand is gekomen wordt de STO-functie geactiveerd. In vele toepassingen kunnen de motoraandrijvingen niet simpelweg worden afgeschakeld omdat zij dan langzaam tot stilstand komen, wat een gevaar zou kunnen veroorzaken.

De safe stop 1 functie regelt het gecontroleerd remmen van de as en bij stilstand wordt de voeding afgeschakeld.

Vergeleken met een externe regeling wordt de reactietijd verkort, waardoor vaak ook veiligheidsafstanden kunnen worden gereduceerd.

Deze functie wordt gebruikt bij machines met een grote massatraagheid, bijvoorbeeld in perstoepassingen.

Aanbrengen van noodstoptoestellen

Zoals in de norm is opgenomen, moeten noodstoptoestellen geplaatst worden op alle bedienposities van de machine (tenzij uit de risicobeoordeling blijkt dat dit niets toevoegt). Uit de risicobeoordeling kan ook volgen dat er andere locaties moeten worden voorzien van een noodstoptoestel.

Bij het gebruik van een draadloos bedienstation of een bedienstation wat inactief gemaakt of losgekoppeld kan worden van de machine, moet er aanvullend minimaal één vast met de machine verbonden noodstoptoestel aanwezig zijn.

In de norm wordt een aantal voorbeelden van locaties genoemd die in de risicobeoordeling beschouwd zouden kunnen worden om te bepalen of daar een noodstop noodzakelijk is:

  • Bij in- en uitgangen van de machine;

  • Op locaties waar interventie aan de machine of het productieproces vereist is (bijvoorbeeld bediening met hold-to-run functie);

  • Alle locaties waar interactie tussen mens en de machine is te verwachten (bijvoorbeeld product in- en uitvoer).

Om verwarring bij het gebruik van noodstoptoestellen te voorkomen moet in de gebruiksaanwijzing van de machine aangegeven worden welke maatregelen hiervoor genomen zijn.

Verdere eisen met betrekking tot een noodstoptoestel zijn:

  • De hoogte waarop een noodstoptoestel geplaatst moet worden ten opzichte van de vloer of bordes (deze hoogte dient tussen de 0,6 m en 1,7 m te zijn),

  • Noodstop voetpedalen dienen op hetzelfde niveau als de vloer gepositioneerd te worden,

  • Noodstoptoestellen mogen niet worden geblokkeerd of onbereikbaar worden als gevolg van de werking van de machine of als bewuste actie van een gebruiker,

  • Het gebruik van noodstoptoestellen die met een sleutel ontgrendelbaar zijn moet worden vermeden.

De schakelaar van de noodstopinrichting is rood en een eventueel aanwezige achtergrond moet geel zijn. Andere teksten en symbolen dan de hieronder afgebeelde symbool voor de noodstop uit de IEC 60417-5638 moeten worden vermeden.

Symbool IEC60417-5638: Emergency Stop

Veiligheidsniveau

Op basis van een risicobeoordeling moet worden bepaald welk veiligheidsniveau is vereist. Dit kan tot uitdrukking komen in een Performance Level (PL) volgens ISO 13849-1 of in een Safety Integrity Level (SIL) volgens IEC 62061.

Bij de bepaling van het vereiste PL of SIL-niveau van de noodstopfunctie moet het doel van de noodstopfunctie in de machine in beschouwing worden genomen. De norm NEN-EN-ISO 13850 geeft echter een minimaal vereiste performance level ‘c’ en SIL1.

Ook het gebruik van draagbare (draadloze) bedieningsstations moet worden beschouwd in de risicobeoordeling. Het koppelen en ontkoppelen van een draagbaar bedieningsstation mag geen invloed hebben op het eventueel bediend zijn van een noodstoptoestel (deze dient uiteraard ook aanwezig te zijn op het bedieningsstation). De noodstopfunctie mag alleen gereset kunnen worden door het resetten van het bediende noodstoptoestel van het draadloze bedienstation.

Vragen over dit artikel?
Stel uw vraag
Details
Gerelateerd
Machineveiligheid Functionele veiligheid machines (SIL en PL) Besturingen
24-04-2012
Inhoudsopgave