THEMA'S
SERVICE & ADVIES

Voorwaarden met betrekking tot aansluitpunt (Netcode)

Datum:09-05-2020

In dit artikel wordt uitleg gegeven over de (aanvullende) voorwaarden rond de aansluiting van netten.

Wat betreft de voorwaarden rond de aansluiting, wordt onderscheid gemaakt in:

  1. voorwaarden voor alle aangeslotenen;

  2. aanvullende voorwaarden voor op het laagspanningsnet aangeslotenen;

  3. aanvullende voorwaarden voor op het hoogspanningsnet aangeslotenen;

  4. aanvullende voorwaarden voor op laagspanningsnetten aangesloten productie-eenheden;

  5. aanvullende voorwaarden voor op hoogspanningsnetten aangesloten productie-eenheden;

  6. aanvullende voorwaarden voor op laagspanningsnetten aangesloten particuliere netten;

  7. aanvullende voorwaarden voor op hoogspanningsnetten aangesloten particuliere netten;

  8. aanvullende voorwaarden voor netbeheerders onderling.

Voorwaarden a tot en d zullen hieronder worden toegelicht. De voorwaarden e tot en met h zijn zo specifiek, dat slechts een zeer beperkte doelgroep hiermee te maken zal krijgen.

Voorwaarden voor alle aangeslotenen

De netbeheerder bepaalt, rekening houdend met de aard en omvang van de elektrische installatie, in welke vorm de transportcapaciteit ter beschikking wordt gesteld. Elke aangeslotene heeft namelijk recht op transport van elektriciteit door heel Nederland tot een hoeveelheid ter grootte van het op de aansluiting gecontracteerde en beschikbaar gestelde vermogen. Op de aansluiting stelt de netbeheerder transportcapaciteit ter beschikking in de vorm van:

  • eenfasewisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hz en een nominale spanning van 230 V tussen fase en nul of tussen twee fasen;

  • driefasenwisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hz en een nominale spanning van 400 V tussen de fasen en van 230 V tussen fasen en nul;

  • driefasenwisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hz en een nominale spanning van 230 V tussen de fasen;

  • eenfasewisselstroom van hoge spanning met een nominale frequentie van 50 Hz, waarbij de nominale spanning is vastgelegd in het aansluitcontract;

  • driefasenwisselstroom van hoge spanning met een nominale frequentie van 50 Hz, waarbij de nominale spanning is vastgelegd in het aansluitcontract.

Hierbij is ook een aantal aspecten ten aanzien van kwaliteit van de voorziening vastgelegd. De kwaliteit van de geleverde transportdienst bij aangeslotenen op netten met een spanningsniveau tot en met 50 kV, moet voldoen aan het gestelde in de norm NEN-EN 50160:1995 ‘Spanningskarakteristieken in openbare elektriciteitsnetten’. De belangrijkste karakteristieken hiervan zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Kwaliteitsaspect

Criterium

Frequentie

50 Hz ± 1% gedurende 99,9% van de tijd

50 Hz +2%/-4% gedurende 100% van de tijd

Langzame spanningsvariaties

Voor netten Un ≤ 1 kV:

Un+/-10% voor 95% van de over 10 min gemiddelde waarden gedurende 1 week
Un+10/-15% voor alle over 10 min gemiddelde waarden

Voor netten 1 kV < Uc < 35 kV:

Uc +/-10% voor 95% van de over 10 min gemiddelde waarden gedurende 1 week
Uc +/-15% voor alle over 10 min gemiddelde waarden

Snelle spanningsvariaties

Voor netten Un ≤ 1 kV:

≤ 10% Un
≤ 3% Un in situatie zonder uitval van productie, grote afnemers of verbindingen
Plt ≤ 1 gedurende 95% van de over 10 min gemiddelde waarden gedurende een beschouwingsperiode van een week
Plt ≤ 5 voor alle over 10 min gemiddelde waarden gedurende een beschouwingsperiode van een week

Voor netten 1 kV < Uc < 35 kV:

≤ 10% Uc
≤ 3% Uc in situatie zonder uitval van productie, grote afnemers of verbindingen
Plt ≤ 1 gedurende 95% van de over 10 min gemiddelde waarden gedurende een beschouwingsperiode van een week
Plt ≤ 5 voor alle over 10 min gemiddelde waarden gedurende een beschouwingsperiode van een week

Asymmetrie

Voor netten Uc < 35kV:

De inverse component van de spanning ligt tussen 0 en 2% van de normale component gedurende 95% van de 10 min meetperioden per week
De inverse component van de spanning ligt tussen 0 en 3% van de normale component voor alle meetperioden

Harmonischen

Voor netten Uc < 35 kV:

De relatieve spanning per harmonische is kleiner dan het in de norm genoemde percentage voor 95% van de over 10 min gemiddelde waarden. Voor harmonischen die niet vermeld zijn, geldt de kleinst vermelde waarde uit de norm
THD ≤ 8% voor alle harmonischen tot en met de veertigste gedurende 95% van de tijd
De relatieve spanning per harmonische is kleiner dan 1,5 x het in de norm genoemde percentage voor 99,9% van de over 10 min gemiddelde waarden
THD ≤ 12% voor alle harmonischen tot en met de veertigste gedurende 95% van de tijd

Kwaliteitsaspecten van de levering.

De netbeheerder moet de betrouwbaarheid van de transportdienst bewaken met behulp van een door de gezamenlijke netbeheerders onderling ontwikkeld en vastgesteld systeem. Met dit systeem worden ten minste de volgende kwaliteitskengetallen bepaald:

  • de kans op een onderbreking;

  • de gemiddelde onderbrekingsduur;

  • de jaarlijkse uitvalduur.

De gezamenlijke netbeheerders meten verder volgens een landelijk ‘power quality’-systeem de algemene kwaliteit van de spanning in de diverse netten. Eenmaal per jaar moet de netbeheerder een (openbaar) verslag uitbrengen met betrekking tot de kwaliteit van de geleverde transportdienst in zijn net.

Bij aangeslotenen op laagspanningsnetten wordt ten behoeve van de netbeheerder eenmalig bij aansluiting een belastingkarakteristiek vastgesteld, die kenmerkend is voor de categorie waartoe de aangesloten installatie behoort. Verder wordt het gecontracteerde en beschikbaar gestelde vermogen voor de desbetreffende aansluiting vastgelegd. Dit geldt ook voor aangeslotenen op hoogspanningsnetten met een gecontracteerd en beschikbaar gesteld vermogen kleiner dan 2 MW (of een ander door de netbeheerder te bepalen vermogen).

Wanneer de aard van de installatie door uitbreiding, inkrimping of wijziging van productieprocessen zodanig wijzigt dat een ander vermogen nodig is, dan meldt de aangeslotene dit aan de netbeheerder. Deze stelt dan een nieuwe belastingkarakteristiek vast.

De wijze waarop een installatie wordt aangesloten op het net, is grotendeels afhankelijk van het benodigde vermogen. In onderstaande tabel  is een overzicht gegeven van de verschillende wijzen waarop een klant kan worden aangesloten. Hierbij is tevens een indicatie gegeven van de vermogens die bij de diverse aansluitmethodieken spelen. De genoemde vermogens zijn indicaties. Per netbeheerder kunnen hierin verschillen optreden, afhankelijk van de gebruikte hoofdbeveiligingen en de in het verleden toegepaste netfilosofie.

Omschrijving aansluiting

Schema

Vermogen

Eenfaseaansluiting samen met andere klanten op dezelfde netkabel

0-9,2 kVA

Driefasenaansluiting samen met andere klanten op dezelfde netkabel

9,2-55 kVA

Eigen netkabel uit een transformatorruimte die ook gebruikt wordt voor andere klanten

55-250 kVA

Eigen transformator

250-1600 kVA

Eigen middenspanningsruimten met diverse transformatoren

1600 kVA

Wijze van aansluiten op het net.

In de netcode is onderstaande tabel opgenomen. Deze geeft ook een indicatie over de aansluitwijze in relatie tot het vermogen.

Aansluitcapaciteit

Nominale aansluitspanning

< 5,5 kVA

0,23 kV

> 5,5 kVA en t/m 60 kVA

0,4 kV

> 60 kVA en t/m 0,3 MVA af secundaire zijde

LS-transformator

0,4 kV

> 0,3 MVA en t/m 3,0 MVA

> 1 kV en > 25 kV

Aansluitwijze in relatie tot aansluitcapaciteit (bron: netcode).

In de algemene voorwaarden van de netcode worden verder eisen gesteld aan:

  • de omgeving van de aansluiting;

  • de comptabele meting;

  • de beveiliging;

  • de elektrische installatie.

De omgeving van de aansluiting: hier wordt verlangd dat de aansluiting goed bereikbaar blijft, verzegelingen niet worden verbroken en de meetinrichting:

  • niet wordt opgesteld in vochtige ruimten, ruimten met bijtende gassen, dampen of stoffen, ruimten met ontploffingsgevaar of ruimten met brandgevaar;

  • niet is aangebracht in de nabijheid van water-, stoom- of soortgelijke leidingen, tenzij maatregelen zijn genomen om indringing van water of stoom in de aansluiting te voorkomen.

Bij de aanvullende voorwaarden voor gebruikers op het laagspanningsnet wordt verwezen naar de NEN 2768:1998 ‘Meterkasten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen voor leidingaanleg in woningen’.

De comptabele meting (waar op wordt afgerekend): hier wordt gesteld dat meting geschiedt met inachtneming van de meetcode. In het aansluitcontract worden de te meten grootheden vastgelegd. Deze grootheden worden geregistreerd in het overdrachtspunt van de aansluiting. Ten aanzien van de beveiliging wordt selectiviteit vereist tussen de beveiligingen in de installatie en de beveiliging die de netbeheerder in de aansluiting of het voedende net toepast. Bij het ontwerp van de elektrische installatie moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van het net (zie onderstaande afbeelding).

Selectiviteit tussen de beveiligingstoestellen.

Om dit te kunnen doen, moet de netbeheerder de aangeslotenen informeren over:

  • de beveiligingsfilosofie;

  • het kortsluitvermogen;

  • de wijze van sterpuntsbehandeling;

  • de isolatiecoördinatie;

  • de netconfiguratie;

  • de bedrijfsvoering.

Enkele eisen worden in het algemeen aan de elektrische installatie gesteld:

  • Er zijn eisen ten aanzien van installaties die terugvoeding kunnen geven aan het net (zelfopwekkers, PV-systemen, WKK-installaties). Deze mogen alleen na schriftelijke toestemming van de netbeheerder worden geplaatst.

  • De elektrische installatie moet bestand zijn tegen het ter plaatse te verwachte kortsluitvermogen. (Dit is dan ook een van de punten die de netbeheerder moet kunnen aangeven.)

  • De arbeidsfactor moet liggen tussen 0,85 (inductief ) en 1, tenzij er andere contractueel vastgelegde afspraken zijn gemaakt.

  • De elektrische installatie en de daarin opgenomen toestellen mogen geen hinder veroorzaken voor andere aangeslotenen.

Specifiek worden in het algemene deel de volgende voorschriften genoemd:

Voor apparatuur met een vermogen groter dan 11 kVA zijn de ‘Richtlijnen voor toelaatbare harmonische stromen geproduceerd door apparatuur met een vermogen groter dan 11 kVA’ d.d. januari 1996 uitgegeven door EnergieNed van toepassing.

Voor de aansluiting van éénfasige tractievoedingen op hoogspanningsnetten is de ‘Richtlijn voor harmonische stromen en netspanningsasymmetrie bij éénfasige 25 kV voedingen’ d.d. maart 1999, uitgegeven door EnergieNed van toepassing.

Aanvullende voorwaarden voor op laagspanningsnet aangeslotenen

Voor aangeslotenen op het laagspanningsnet worden aanvullende voorwaarden gesteld ten aanzien van:

  • de aansluiting;

  • de omgeving van de aansluiting;

  • de beveiliging;

  • de elektrische installatie.

Aansluiting

Bij de aansluiting op een laagspanningsnet is er sprake van een installatie met gering vermogen. Voor de beslissing of een installatie als eenfase- of driefaseninstallatie wordt aangesloten, is in de netcode het volgende vermeld:

Aansluitingen waarvan naar het oordeel van de netbeheerder geen grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,5 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden als eenfase-installaties aangesloten, tenzij de elektrische installatie verbruikende toestellen of motoren bevat die ingevolge het bepaalde in deze regeling op drie fasen moeten worden aangesloten, dan wel de netbeheerder om technische redenen aansluiting als driefaseninstallatie verlangt.

Aansluitingen waarvan naar het oordeel van de netbeheerder een grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,5 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden, behoudens ontheffing van de netbeheerder, als driefasenaansluiting uitgevoerd. Daarbij zorgt de aangeslotene voor een zo veel mogelijk gelijke verdeling van de belasting over de drie fasen.

Bij de bepaling van de gelijktijdig optredende belasting moet gekeken worden naar het schijnbare vermogen van de toestellen in de installatie en de gelijktijdigheid. Zeker dit laatste is vaak moeilijk te bepalen. Ook moet nog worden gekeken naar de aansluitpunten voor verlichting en wandcontactdozen. Meestal is bij een nieuw aan te leggen installatie nog niet bekend wat op deze aansluitpunten wordt aangesloten. De netcode geeft hiervoor de volgende oplossing:

Voor de bepaling van de gelijktijdige schijnbare belasting op een aansluiting wordt het schijnbare vermogen per aansluitpunt gesteld op de werkelijke waarde of, indien deze niet bekend is, op een minimum van 50 VA per lichtpunt en 200 VA per contactdoos. Een meervoudige contactdoos wordt als één contactdoos aangemerkt. Bij de bepaling van de gelijktijdige schijnbare belasting wordt rekening gehouden met de te verwachten gelijktijdigheidsfactor.

Nu is niet alleen het vermogen bepalend of een toestel als eenfase- of driefasentoestel kan worden aangesloten, maar ook eigenschappen als inschakelstromen en netvervuiling. Om deze redenen zijn er voor motoren, lastransformatoren en omzetters met vermogenselektronica aanvullende voorwaarden. Voor motoren is onder andere in de netcode vermeld:

Machines met een nominaal vermogen groter dan 2 kW, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, zijn in de regel op drie fasen aangesloten.

Voor het ontwerp van een elektrische installatie is verder nog belangrijk te weten of de nul aardpotentiaal heeft of niet. Dit onder andere in verband met de vraag of de hoofdschakelaar drie- of vierpolig moet zijn. De netcode zegt hierover:

Voor de toepassing van de in 2.2.1.2 bedoelde voorschriften of bepalingen geldt dat de netbeheerder zal aangeven of het laagspanningsnet van de netbeheerder al dan niet is aangelegd volgens een systeem waarbij voldoende is verzekerd, dat de nul onder normale omstandigheden ongeveer aardpotentiaal houdt.

De netbeheerder moet dus aangeven of de nul aardpotentiaal heeft. Hetzelfde geldt voor het verstrekken van een aardingsvoorziening. In de netcode is de volgende tekst opgenomen:

De netbeheerder bepaalt of het distributienet, of een gedeelte ervan, in aanmerking komt als TNstelsel te worden gebruikt ten behoeve van de aardingsvoorziening van elektrische installaties en welke aanvullende voorwaarden daartoe op de aansluiting van toepassing zijn.

Om te zorgen dat een distributienet geschikt is om een aardingsvoorziening aan te bieden, moeten er in dit net diverse voorzieningen worden getroffen. Een eerste voorwaarde is dat door de optredende foutspanning de waarden zoals gegeven in onderstaande afbeelding  niet worden overschreden. Om hieraan te voldoen kan een netbeheerder diverse maatregelen nemen.

Maximale foutspanning in distributie netten uitgelegd als TN.

De toepassing van een kabel met aardscherm is een goed begin. In deze kabel kan de nul - geleider op diverse plaatsen (bijvoorbeeld bij elke aansluitmof en aansluitkast) worden verbonden met het aardschem. Verder is er de mogelijkheid in bebouwde omgevingen om van meerdere kabels de nul- en PE-geleider te koppelen. Hierbij moeten de fasen van deze verschillende kabels niet worden gekoppeld, omdat er anders geen spanningsverlagend effect optreedt (zie onderstaande afbeeldingen).

Koppelen van nul- en PE-geleider.

Koppelen van nul- en PE-geleider van meerdere kabels.

Omgeving van aansluiting

Voorwaarden worden gesteld aan de plaats waar de voorziening in het gebouw wordt binnengebracht, zoals de meterkast, de invoerput of de elektrische bedrijfsruimte.

In percelen waar de elektrische installatie door middel van een in de grond gelegde kabel wordt aangesloten, moeten voorzieningen worden getroffen voor het gemakkelijk en gasbelemmerend binnenleiden van de kabel. Hiervoor moet een beschermbuis worden toegepast waarvan de netbeheerder het materiaal en de afmetingen bepaalt, tenzij de netbeheerder uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dit niet noodzakelijk te achten. In het geval dat een leidinginvoerput wordt aangebracht, moet deze voldoen aan de NEN 2768:1998 ‘Meterkasten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen voor leidingaanleg in woningen’ (zie onderstaande afbeelding).

Meterkast voor hoog- en laagbouw (NEN 2768).

Naast deze indeling worden nog meerdere eisen gesteld aan de meterkast, onder andere:

  • De meterkast moet met een deur met slot afsluitbaar zijn.

  • De dagmaat van de deur moet ten minste een breedte hebben van 700 mm en een hoogte van 2000 mm.

  • De meterkast moet worden geventileerd.

  • De meterkast moet door situering en/of uitvoering vorstvrij zijn.

Ook ten aanzien van de invoering van leidingen (en de plaats van invoering) worden eisen gesteld in de NEN 2768. Om te komen tot een eenduidige invoering is er landelijk een standaard vloerplaat ontwikkeld (zie onderstaande afbeelding).

Vloerplaat voor de meterkast.

De standaard meterkast kan alleen worden gebruikt bij een standaard installatie zoals bij een woonhuis. Bij kleine bedrijven zal het energiebedrijf in overleg met de aangeslotene een ruimte bepalen voor de aansluiting.

Beveiliging

Als aanvullend voorschrift ten aanzien van de beveiliging wordt een installatie beoordeeld op het gedrag bij het terugkeren van de spanning na een onderbreking. Wanneer de spanning is weggevallen, moet worden voorkomen dat bij het terugkeren van de spanning alle toestellen van de diverse gebruikers weer gelijktijdig inschakelen. Dit zou immers tot zeer grote inschakel- en aanloopstromen kunnen leiden (en dus weer tot een nieuwe afschakeling van de spanning). Is er meer dan 10 kW aan vermogen van motoren in een installatie aanwezig, dan wordt een nulspanningsbeveiliging voorgeschreven. Hierbij heeft het de voorkeur datgeen gemeenschappelijke nulspanningsbeveiliging wordt toegepast. Meestal is het ook eenvoudig om elke motor afzonderlijk met een magneetschakelaar te voorzien van een eigennulspanningsbeveiliging.

In deze voorwaarden zijn verder technische aspecten ten aanzien van de installatie geregeld, maar ook aspecten die te maken hebben met de specifieke verantwoordelijkheid van installateur en aangeslotenen. Zo is bijvoorbeeld vastgelegd:

Bij aanleg van nieuwe elektrische installaties, alsmede bij uitbreiding, wijziging of vernieuwing van bestaande elektrische installaties waarbij de aansluiting dan wel de meetinrichting moet worden uitgebreid of gewijzigd, geeft de aangeslotene de netbeheerder zo spoedig mogelijk schriftelijk op de door de netbeheerder aangegeven wijze op:

  • zijn naam, volledige adres en telefoonnummer;

  • het volledige adres en de bestemming van het perceel, waarin of waarop de werkzaamheden zullen worden verricht;

  • de naam, het volledige adres en het telefoonnummer van degene die de werkzaamheden verricht.

Deze gegevens zijn nodig voor de registratie van de aansluiting en uitvoering van een veiligheidsbeleid. Voor de uitvoering van het veiligheidsbeleid zijn onder andere ook de volgende voorwaarden vastgelegd:

Indien naar het oordeel van de netbeheerder redelijke twijfel bestaat of een elektrische installatie voldoet aan de van toepassing zijnde bepalingen van de technische voorwaarden, toont de aangeslotene aan dat zijn elektrische installatie aan deze bepalingen voldoet. Wanneer de aangeslotene in gebreke blijft is de netbeheerder bevoegd om de elektrische installatie zelf te onderzoeken of te laten onderzoeken. Indien een elektrische installatie naar het oordeel van de netbeheerder niet voldoet aan het bepaalde in deze regeling, herstelt de aangeslotene de gebreken, zo nodig onmiddellijk. De netbeheerder kan door de aangeslotene daarbij in acht te nemen aanwijzingen geven. De netbeheerder heeft echter geen verplichting om na te gaan of aan het in de regeling bepaalde is voldaan.

De netbeheerder mag een elektrische installatie of een uitbreiding van een elektrische installatie die niet voldoet aan de voorwaarden neergelegd in dit hoofdstuk als een tijdelijke installatie aanvaarden en de tijdsduur van de aansluiting daarvan bepalen. Behoudens bijzondere gevallen, bedraagt deze tijdsduur niet meer dan één jaar.

De netbeheerder kan met betrekking tot een tijdelijke installatie nadere eisen stellen.

Tussen de elektrische installatie achter een meetinrichting en de elektrische installatie achter een andere meetinrichting mag geen verbinding bestaan, tenzij de netbeheerder anders bepaalt. De netbeheerder behoudt zich het recht voor een nieuwe elektrische installatie slechts aan te sluiten en bij uitbreiding, wijziging of vernieuwing van een bestaande elektrische installatie de transportdienst slechts dan te handhaven indien de aanleg, uitbreiding, wijziging of vernieuwing voldoet aan de van toepassing zijnde bepalingen in de technische voorwaarden.

Ten minste drie volle werkdagen voor het gereedkomen van een nieuwe elektrische installatie respectievelijk van de uitbreiding, wijziging of vernieuwing van een bestaande elektrische installatie waarbij de aansluiting dan wel de meetinrichting moet worden uitgebreid of gewijzigd, moet de aangeslotene hiervan de netbeheerder schriftelijk op de door de netbeheerder aangegeven wijze in kennis stellen.

Onverminderd het bepaalde in 2.2.4.14 worden uitbreidingen, wijzigingen of vernieuwingen van een elektrische installatie geacht gereed te zijn, indien deze geheel of gedeeltelijk is aangesloten.

De aangeslotene onderhoudt de elektrische installatie naar behoren.

De laatste voorwaarde wijst de aangeslotene op zijn eigen verantwoordelijkheid om de installatie goed te houden. Een mogelijkheid om dit te doen is een regelmatige herinspectie. Naast deze algemene voorwaarden wordt er nog gesteld dat op de aansluiting geen grote spanningsveranderingen mogen ontstaan. Het betreft dan voornamelijk snelle spanningsvariaties die kunnen worden veroorzaakt door het inschakelen van motoren of gebruik van lasapparatuur. In tegenstelling tot de vroegere aansluitvoorwaarden zijn er geen waarden meer aangegeven voor het wel of niet direct kunnen inschakelen van motoren. Per situatie moet dus worden berekend welke spanningsvariatie kan optreden. Zie hiervoor ook het artikel over voedingsbronnen.

Aanvullende voorwaarden voor op hoogspanningsnet aangeslotenen

Als er wordt overgegaan tot aansluiting op het hoogspanningsnet, dan moet de aangeslotene een locatie ter beschikking stellen voor de plaatsing van de energietransformator en de bijbehorende installatie. Dit kan een locatie zijn voor de plaatsing van een compactstation (zie onderstaande afbeelding) of een elektrische bedrijfsruimte. Aan deze elektrische bedrijfsruimte stelt de netbeheerder diverse eisen betreffende afmetingen, bereikbaarheid, slot en verlichting.

Compactstation.

De aangeslotene moet in verband met de benodigde selectiviteit een staffelplan van de beveiligingen bij de netbeheerder overleggen. Een voorbeeld van een dergelijk staffelplan toont onderstaande afbeelding.

Installatie met beveiligingen en bijbehorende uitschakelkarakteristieken.

Om een compleet beeld te krijgen van de selectiviteit moet dus ook de beveiliging van de netbeheerder zelf worden ingetekend. De gegevens hiervoor moet de netbeheerder daarom aanleveren.

Aanvullende voorwaarden voor op laagspanningsnet aangesloten productie-eenheden

Als productie-eenheden op een laagspanningsnet worden aangesloten, zijn aanvullende voorwaarden gesteld in verband met de veiligheid van de medewerkers van de netbeheerder (voorkomen dat het net onverwacht onder spanning blijft of komt), de kwaliteit van het te leveren product (harmonischen, inschakelverschijnselen) en de veiligheid voor de aangeslotene (aarding). De aanvullende voorwaarden gaan dan ook over beveiliging, sterpuntsbehandeling en overige aanvullende voorwaarden.

Beveiliging

Bij de beveiliging is selectiviteit belangrijk tussen de diverse beveiligingen in de installatie en de hoofdbeveiliging op het overdrachtspunt. De netbeheerder kan verlangen dat hiervan een berekening wordt gemaakt. Bij een net dat bewust of onbewust (storing) spanningsloos wordt gemaakt, moet worden voorkomen dat de productie-eenheid hierop invloed blijft uitoefenen. Om deze reden worden in de netcode de volgende beveiligingen voorgeschreven:

De installatie dient te zijn voorzien van een inrichting die na het wegvallen van de netspanning de installatie uitschakelt; het inschakelcommando moet met ten minste enkele min na terugkeer van deze spanning vertraagd worden. Installaties met een vermogen kleiner dan 5 kVA mogen direct weer worden ingeschakeld.

De beveiliging van de generator en een vermogenselektronische omzetter met een vermogen groter dan 5 kVA is in ieder geval op drie fasen voorzien van:

  • een onderspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 s bij 80% van de nominale spanning én van 0,2 s bij 70% van de nominale spanning;

  • een overspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 s bij 106% van de nominale spanning;

  • een maximum-stroomtijdbeveiliging;

  • bij een vermogenselektronische omzetter een overbelastingsbeveiliging;

  • een frequentiebeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 s bij een afwijking van 2 Hz, deze beveiliging mag éénfasig zijn;

  • een inschakelvertraging na uitschakeling: 2 min.

De beveiliging van een vermogenselektronische omzetter met een vermogen kleiner dan 5 kVA is in ieder geval voorzien van:

  • een onderspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 0,1 s bij 80% van de nominale spanning;

  • een overspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 0,1 s bij 106% van de nominale spanning;

  • een frequentiebeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 s bij een afwijking van ±2 Hz;

  • een overbelastingsbeveiliging.

De spanningsbeveiligingen zijn éénfasig uitgevoerd, tenzij de vermogenselektronische omzetter driefasig is, in welk geval zij eveneens driefasig zijn uitgevoerd. De installatie met een synchrone generator is voorzien van een inrichting die binnen 0,2 s een scheiding met het openbare net bewerkstelligt ingeval de netspanning daalt in één of meer fasen tot 70% van de nominale waarde, tenzij uit een berekening van de kritische kortsluittijd een snellere uitschakeling noodzakelijk blijkt.

Bij het wegvallen van de spanning vanuit het laagspanningsnet zal voor de productie-eenheid de belasting drastisch veranderen. Dit leidt automatisch tot wijzigingen in frequentie en/of spanningsniveau. De genoemde beveiligingen signaleren dit en schakelen vervolgens de productie-eenheid van het net. De overspanningsbeveiliging, die in de netcode versie juli 2006 op 106% staat, moet nog worden aangepast op een reële bovengrens van 110%.

Afhankelijk van de vraag of de productie-eenheid ook in eilandbedrijf kan functioneren (bijvoorbeeld als noodstroomaggregaat), zal de productie-eenheid worden afgeschakeld of stand-alone verder draaien.

Sterpuntsbehandeling

Als een productie-eenheid ook in eilandbedrijf moet kunnen functioneren, is de sterpuntsbehandeling een belangrijk aandachtspunt. De netcode schrijft hierover:

Het sterpunt van een generator die zowel in eilandbedrijf als in parallelbedrijf kan functioneren is deugdelijk geaard.

Maatregelen worden in ieder geval genomen ingeval door harmonischen in de installatie de grootte van de nulleiderstroom in dezelfde orde als die van de fasestroom zal komen.

In het verleden zijn er diverse malen problemen geweest met nulstromen bij productie-eenheden. Een mogelijke oorzaak hiervan is weergegeven in onderstaande afbeelding.

Aansluiting van een productie-eenheid op een transformator

Door de aangesloten belasting ontstaat een vervorming van de spanning. Als de vervuiling bestaat uit een harmonischen met een veelvoud van drie (onder andere de derde harmonische), dan zal deze harmonische willen rondlopen in het met een stippellijn aangegeven circuit. Dit circuit is zeer laagohmig, zodat een kleine derde harmonische spanning al tot grote stromen kan leiden.

De oorzaak van de spanningsvervorming hoeft overigens niet alleen de belasting te zijn, maar kan ook worden veroorzaakt door een kwalitatief slechte generator. Om problemen met te grote nulstromen te voorkomen, moet aandacht worden geschonken aan de benodigde doorsnede van de nulgeleider. Ook moet worden bekeken of het toepassen van een smoorspoel in de nul of een Z-spoel nodig is.

Overige voorwaarden

De overige voorwaarden hebben betrekking op het voorkomen van hinder. Normaliter mogen er geen spanningsvariaties optreden groter dan 3% van de nominale netspanning. Bij installaties die slechts met een zeer lage frequentie opstarten, is dit percentage verhoogd naar 5%. In de netcode is hierover opgenomen:

Bij generatorinstallaties die slechts enkele malen per dag starten, respectievelijk parallel schakelen, dient de aanloopstroom zodanig te worden beperkt dat de spanningsdaling in het openbare net – ter plaatse van de meest nabij gesitueerde aangeslotene − ten hoogste 5% bedraagt. De generator moet een stabiel gedrag vertonen. Als een plotselinge verandering van het mechanische  aandrijfkoppel optreedt, mogen geen ontoelaatbare elektrische slingeringen plaatsvinden. De aandrijvende machine moet een rustig gedrag vertonen.

De aansluiting van productie-eenheden zal ook tot gevolg hebben dat het kortsluitvermogen ter plekke toeneemt. Beoordeeld zal moeten worden of de installatie bestand is tegen de optredende effectieve kortsluitstroom (thermische belasting) en de topwaarde hiervan(mechanische belasting). Wanneer compensatiecondensatoren worden toegepast, wordt de omvang daarvan en het aantal stappen waarin deze worden geschakeld, bepaald in overleg met de beheerder van de productie-eenheid door de netbeheerder.

Deze situatie komt voor bij toepassing van synchrone generatoren die wattvermogen leveren en blindvermogen vragen. Om toch te voldoen aan de gewenste arbeidsfactor, worden dan compensatiecondensatoren toegepast. Dit kan echter weer gevolgen hebben voor de kwaliteit van het toonfrequentsignaal, waardoor er een filter moet worden toegepast om beïnvloeding van dat signaal te voorkomen. Overleg met het energiebedrijf is hierbij belangrijk.

Vragen over dit artikel?
Stel uw vraag
Details
Gerelateerd
Power Quality Flikker Eisen in Netcode
01-08-2017
Power Quality Wetgeving Power Quality Kwaliteitsvereisten voor geleverde spanning
13-06-2017
Power Quality Wetgeving Power Quality Netcode, randvoorwaarden voor spanning
05-05-2017
Power Quality Wetgeving Power Quality Normen en wetgeving
14-02-2017
Power Quality Transiënten en EMC Aardingsvoorziening bij grotere aansluitingen
14-11-2014
Power Quality Wetgeving Power Quality Netimpedantie bij aansluiten toestellen en installaties
03-10-2014
Power Quality Wetgeving Power Quality Vervorming - Verliezen - Limieten
24-09-2014
NEN 1010 Wetgeving NEN 1010 Werkingssfeer en definities netcode
12-12-2013
Power Quality Asymmetrie Breuk in een nulgeleider
12-07-2013
Machineveiligheid Wetgeving Machineveiligheid Samenhang normen
07-06-2013
Power Quality Wetgeving Power Quality NEN-EN 50160
12-04-2013
Machineveiligheid Ontwerpen machines en geïntegreerde productiesystemen Netaansluiting
25-05-2012
Power Quality Meten van Power Quality Eisen aan de installatie
28-06-2011
Power Quality Wetgeving Power Quality Randvoorwaarden voor aansluitpunt
22-06-2011
Power Quality Wetgeving Power Quality Verantwoordelijkheden
15-06-2011
Inhoudsopgave